Benoît van Innis in 2020 © Kristof Vadino
Benoît van Innis in 2020

De Standaard 25 februari 2024

Benoît van Innis overleden, de tekenaar die de nobele kunst van het nietsdoen omarmde

Geert Van der Speeten

Benoît van Innis, die op 63-jarige leeftijd overleed na een slepende ziekte, verwierf bekendheid met de onderkoelde humor van zijn cartoons. Als doelwit koos hij vooral het gezapige bourgeoisbestaan.

In de prent De kunstenaar toonde zijn begraven beelden staat een groepje mannen en vrouwen naar een kaal veldje te kijken. De ondertitel vult verder aan: “De inventaris van zijn beelden had hij ook begraven.” De voordrachttoont een man die een weitje met koeien toespreekt, met het boek in de hand. In De signeersessie pent een would be-schrijver achter zijn tafeltje de blanco kaften van een boekenstapel vol. Zo lokte cartoonist, tekenaar en beeldend kunstenaar Benoit, roepnaam van Benoît van Innis, ons in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw binnen in zijn absurde wereld. Met zijn onderkoelde humor zoomde hij in op besloten biotopen: de stijfdeftige wereld van de bourgeoisie, de snobistische scene van de hedendaagse kunst, het gezapige burgerleven. Het vaakst liet hij zijn figuren de nobele kunst van het nietsdoen omarmen.

Benoit tekende in een herkenbare stijl. Die werd gedicteerd door de klare lijn, een uitgepuurde vormgeving en tongue in cheek-humor die gedicteerd werd door een afstandelijke blik. Zijn voorbeelden waren Sempé, met wie hij samenwerkte in het Franse tijdschrift Paris Match, naast vrolijke absurdisten als Glen Baxter en Saul Steinberg.

Benoît van Innis © Jimmy Kets
Benoît van Innis

Mozaïektegels

Tekenaar en beeldend kunstenaar Benoît Van Innis groeide op in een tweetalig gezin in Brugge. Zijn vader stamde uit een verarmde tak van een adellijke familie, zijn moeder was een Naamse. Hij studeerde aan Sint-Lucas in Gent bij de abstracte kunstenaar Dan Van Severen, maar kende eerst succes met zijn tekeningen en cartoons. Ze verschenen vanaf midden de jaren 1980 in De Morgen en De Standaard, daarna in veel Vlaamse en buitenlandse bladen waaronder Knack, Vrij Nederland en Lire. Van Innis was de eerste Belgische kunstenaar die een cover van The New Yorker mocht ontwerpen. Hij was 35 keer te gast in het beroemde blad.

De jaren 90 waren ook een scharniermoment. Benoit brak uit zijn eigen keurslijf en vervelde van cartoonist tot beeldend kunstenaar. Eerst doken nog herkenbare figuren op in zijn titelloze schilderijen, op doek of aluminium. Ze dansten of zweefden in de lucht. Daarna zocht hij de vrijheid op in de dynamiek van het lijnenspel en de wirwar van abstracte kleurenpatronen. Terugkerende elementen waren olijfbomen, klaar voor de pluk, en ladders. Daarna kwamen de grote opdrachten voor werk in de publieke ruimte. In 1999 realiseerde hij een wand met beschilderde mozaïektegels in het gerenoveerde metrostation Maalbeek in Brussel. Ze bevatten anonieme portretkoppen, als een hommage aan Jan Modaal. Zijn vriend Josse De Pauw feliciteerde hem ermee: ‘Afstappen in Maalbeek is afstappen in Benoît.’ In Brugge deed hij in 2002 een soortgelijke ingreep in het Jan Breydelstadion en bij de heraanleg van stadscentrum van Deinze bracht hij in 2012 op vier plaatsen kleurrijke accenten aan in het teken van de vier seizoenen. Zijn bijdrage zag hij als een hedendaagse hommage aan de Leieschilders. Na de aanslagen in Brussel in 2016 realiseerde hij ook het memoriaal in het metrostation Maalbeek, waarbij hij opnieuw voor het motief van de olijfboom koos.

Het memoriaal in metrostation Maalbeek © Gert Verbelen
Het memoriaal in metrostation Maalbeek

Coronadagboek

Tot drie keer toe werkte Benoît van Innis voor een langere periode voor deze krant. Hij debuteerde met zijn cartoons in De Standaard in 1984, keerde terug in de letterenbijlage van 1996 tot 2000 en maakte een opvallende rentree tijdens de coronaperiode met zijn quarantainetekeningen. Zijn coronadagboek was spontaan begonnen: dagelijks stuurde hij via sociale media en Whatsapp een pentekening naar vrienden en bekenden. Het betekende een terugkeer naar de vroegere gags, qua stijl wel in een veel lossere vorm. Benoit voerde zichzelf op in fictieve zelfportretten, maar vaak gebeurde er weinig op papier. Op hun best cirkelden de tekeningen rond isolement en onze ongemakkelijke omgang daarmee. Dat zijn ‘vrije werk’ niet scoorde bij het publiek, zag Van Innis als een nederlaag. Zelf zei hij daarover: “Ik heb het spel nooit goed beheerst, denk ik. (…) Zeker het galeriecircuit heeft mij nooit aanvaard.” Koppig bleef hij zich een eigentijdse kunstenaar voelen, met als motto een regel van Federico Garcia Lorca: “Ik struikel wankel door de harde vaste eeuwigheid.”

Bron: standaard.be

← Terug naar pers