© Dirk Waem / Belga
Kunstenaar Benoît van Innis (1960-2024) was de meester van de droogkomische tekening
Hij was de eerste Belg die een omslag voor The New Yorker mocht maken. Wereldberoemd werd hij jammer genoeg door de aanslag op het Brusselse metrostation Maalbeek, waar hij tekeningen op de tegelwanden had gemaakt.
Op 22 maart 2016 werden de portretten van de Belgische kunstenaar en cartoonist Benoît van Innis wereldberoemd – letterlijk in één klap, door de terroristische aanslag op het Brusselse metrostation Maalbeek. Zestien mensen kwamen om het leven en er vielen tientallen gewonden. De lijntekeningen op de perrons, gebakken op witte tegels, bleven wonderwel onbeschadigd.
‘Plots kent iedereen mijn werk. Het is jammer dat het op zo’n manier moet gebeuren’, zei hij na de aanslag. ‘De acht portretten symboliseren plots het beeld van de onschuldige slachtoffers.’
De zaterdag na een slopende ziekte op 63-jarige leeftijd overleden Benoît, zoals zijn kunstenaarsnaam kortweg luidde, was de meester van de droogkomische beelden. Zijn werk verscheen niet alleen in Belgische kranten als De Morgen en De Standaard, maar ook in Vrij Nederland, Paris Match en The New Yorker – hij was de eerste Belg die een omslag voor dat blad mocht maken, wat nog altijd wordt gezien als een van de meest prestigieuze opdrachten die een illustrator ten deel kan vallen.
Zijn humoristische pentekeningen en schilderijen namen besloten biotopen op de hak: de gezapige bourgeoisie, de snobistische kunstwereld. Benoît voorzag ze soms van een bijschrift om de situatie nog absurder te maken. Neem het tafereeltje van vier mannen met wijkende haargrens, keurig in jasje-dasje, die op een grasveld allemaal een andere kant op staren, armen in de zij, langs het lichaam of plukkend aan de stropdas. Twee kale bomen, een paar heuveltjes, verder niets. Bijschrift: ‘Naar het schijnt was het huis schitterend geïntegreerd in het landschap.’
Of neem de drie mannen en een vrouw die tot hun middel in een rotsachtige zee staan. Een man gebaart met zijn handen, de anderen luisteren. Onderschrift: ‘Een man in Tsjecho-Slowakije had meer dan een half uur nodig om ons uit te leggen dat zijn dochter Engels kende.’
Onmiskenbaar Benoît
Jonkheer Benoît Thierry Marcel Marie Ghislain van Innis, zoals hij voluit heette, werd in Brugge geboren in een tweetalig katholiek gezin; zijn vader kwam uit de verarmde tak van een adellijke familie in het Vlaamse Asse, zijn moeder uit de Waalse stad Namen. Hij volgde de schildersopleiding aan Sint-Lucas, de kunstacademie van Gent. Zijn stijl en kleuren deden wel denken aan vroege werken van David Hockney. Zijn voorbeelden en geestverwanten waren onder anderen de Franse illustrator en stripauteur Sempé (1932-2022) en de Engelse absurdist Glen Baxter (1944).
Vanaf de jaren negentig begon Benoît naast cartoons ook steeds meer autonome beeldende kunst te maken – abstracte lijnen en kleuren, met olijfbomen en ladders als terugkerende elementen. Maar deze ingetogen, vrije schilderijen sloegen tot zijn teleurstelling minder aan. ‘Ik heb het spel nooit goed beheerst, denk ik’, zei hij daarover. ‘Zeker het galeriecircuit heeft mij nooit aanvaard.’ Misschien wel omdat hij dat circuit in zijn humoristische tekeningen subliem persifleerde.
De portretten op de tegeltableaus van metrostation Maalbeek, midden in de Europese wijk van Brussel, dateren van 2001. Met enkele lijnen, gebakken op keramische tegels, zette hij de acht figuren neer. Een jongeman met een scheiding in het midden, een vrouw met hoofddoekje. Hij had slechts een ovaal en een paar strepen nodig om wenkbrauwen, ogen, neus en mond neer te zetten. Het werd onmiskenbaar een Benoît.
Na de aanslag op Maalbeek werd Benoît gevraagd een herdenkingselement te maken in het metrostation. Het werd al vier maanden later onthuld. Op witte tegels staat een gestileerde olijfboom die hoop moet uitdrukken voor de slachtoffers en nabestaanden. Aan weerszijden een dichtregel van Federico García Lorca, Benoîts favoriete dichter.